Het trio opent met een van Schumanns mooiste sonatedelen. Meeslepend, krachtig en donker, een lange, gearticuleerde melodie met arpeggio-achtige versieringen zet de belangrijkste motieven neer die het deel doordringen. Er zijn twee hoofdthema's. Het tweede is kenmerkend zachter en lyrischer, maar wordt aangevuld door een variatie op het eigenzinnige arpeggio als contrapunt. De ontwikkeling bevat een heerlijke verrassing: een behendige fugato-episode met een minuscuul thema, een scherp pizzicato en een chromatisch contrapunt dat naadloos is afgeleid van een pianofiguur op de achtergrond. De slotmaten voeren het drama op tot een turbulente schuimlaag die in spanning vervliegt, de lucht gevuld met kleine vonkjes die de fugato oproepen met een Mendelssohn-achtige magie.