Brahms' beroemde Hoorntrio opus 40, gecomponeerd in 1865 voor natuurhoorn, is een werk van aanzienlijke betekenis binnen het oeuvre van de componist. Tot nu toe werd aangenomen dat het werk een sterke emotionele band had met de dood van zijn moeder drie maanden eerder.
Christopher Hogwood maakt voor deze Bärenreiter-uitgave echter gebruik van een nieuw ontdekte bron, een bron die niet beschikbaar was voor eerdere edities. We weten nu dat Brahms ten minste het triodeel zo'n twaalf jaar eerder, in 1853, schreef en dat het oorspronkelijk bedoeld was voor solo piano. Dit pianodeel is opgenomen in de appendix.
Deze Urtext-editie biedt niet alleen de standaardbezetting van viool, hoorn en piano, maar ook de alternatieve bezetting voor cello of altviool in plaats van hoorn. De varianten in de cello- en altvioolpartijen worden in de partituur aangegeven met ossias.
De inleiding (Engels/Duits) beschrijft het compositieproces, bevat informatie over de uitvoerings- en publicatiegeschiedenis van het werk en geeft commentaar op de uitvoeringspraktijk. Een kritisch commentaar met facsimilepagina's van het manuscript rondt deze baanbrekende uitgave af.
Appendix met de pianoversie uit 1853 van het triodeel
Bevat alternatieve partijen voor cello en altviool