In het oeuvre van Ludwig van Beethoven is het strijkkwartet (met de symfonie en de pianosonate) hét genre waarvoor hij op een voor de verschillende fasen van zijn ontwikkeling kenmerkende wijze heeft bijgedragen.
Beethoven is al vanaf vroeg in zijn carrière succesvol in het verwerven van steun door rijke muziek minnende edellieden. Zo kreeg hij vanaf zijn vertrek uit Bonn naar Wenen steun van graaf Waldstein. Van de strijkkwartetten is een belangrijk deel in opdracht geschreven. Dat geldt voor de 6 kwartetten van het opus 18 (opgedragen aan prins Lobkovitz), de drie kwartetten van het opus 59 (opgedragen aan graaf Rasumovsky), en drie van de vijf laatste kwartetten (opgedragen aan prins Nikolaj Golitsyn). Rasumovsky onderhield van 1809 tot 1816 een kwartet, waarvan Schuppanzigh de eerste violist was. Dit kwartet had het uitvoeren van Beethovens kwartetten als specialiteit.
Kwartetten vroege periode:
Tussen 1798 en 1800 schreef Beethoven een cyclus van de 6 strijkkwartetten, alle met opus 18:
Strijkkwartet nr. 1 in F
Strijkkwartet nr. 2 in G
Strijkkwartet nr. 3 in D
Strijkkwartet nr. 4 in c
Strijkkwartet nr. 5 in A
Strijkkwartet nr. 6 in Bes
Middenperiode:
Dit betreft vijf kwartetten: de drie Rasumovskykwartetten opus 59 en de kwartetten opus 74 en 95 (geschreven tussen 1806 en 1810).
Strijkkwartet nr. 7 in F majeur (opus 59.1)
Strijkkwartet nr. 8 in e klein (opus 59.2)
Strijkkwartet nr. 9 in C groot (opus 59.3)
Strijkkwartet nr. 10 in Es groot (opus 74) - soms "Harpkwartet" (naar het Duitse Harfenquartett) genoemd
Strijkkwartet nr. 11 in f klein (opus 95) - Quartett Serioso
Late periode (1822-1826):
Dit betreft de 5 laatste kwartetten, die geschreven werden tussen 1822 en 1826.
Strijkkwartet nr. 12 in Es groot (opus 127)
Strijkkwartet nr. 13 in Bes (opus 130)
Große Fuge (opus 133) - oorspronkelijk het laatste deel van het 13e strijkkwartet
Strijkkwartet nr. 14 in cis klein (opus 131)
Strijkkwartet nr. 15 in a klein (opus 132)
Strijkkwartet nr. 16 in F groot (opus 135)