De Sonate voor de grote altviool stamt uit de vroege jaren 1830, een periode waarin Paganini zich steeds meer in de altviool verdiepte. De compositie van dit werk was een reactie op zijn ontevredenheid over de schetsen van een altvioolconcert dat hij bij Berlioz had besteld. Hij gaf de première in Londen in 1834, waarbij hij een ongebruikelijk grote altviool bespeelde – vandaar de titel. Altvioolen zijn, vanuit akoestisch oogpunt, eigenlijk te klein voor hun toonhoogte en de invloed daarvan op de snaarspanning. Daarom proberen uitvoerders de grootste altviool te gebruiken die ze kunnen vasthouden en waarop ze de posities kunnen bereiken. Paganini's werk is tamelijk moeilijk, waardoor het in de loop der jaren minder vaak is uitgevoerd dan men zou verwachten. Het heeft nu echter een vaste plaats verworven in het repertoire voor virtuoze altviolisten en wordt zeer gewaardeerd.