Aleksandr Konstantinovich Glazunov (1865-1936) componeerde in 1893 de Elégie voor altviool en piano in g mineur, opus 44. Glazunov was een Russische componist die een sterk Russisch nationalisme combineerde met Europese internationale stijlen. Hij begon op negenjarige leeftijd met pianolessen en op elfjarige leeftijd met componeren. Op veertienjarige leeftijd begon hij privélessen compositie te volgen bij de beroemde Russische componist Nikolaj Rimski-Korsakov. Hoewel Glazunov 21 jaar jonger was dan Rimski-Korsakov, ontstond er een levenslange vriendschap tussen hen. Glazunov werkte samen met Rimski-Korsakov aan talrijke muzikale projecten, zoals het voltooien en herzien van onvoltooide composities van Borodin.
In 1899 werd Glazunov benoemd tot professor aan het Conservatorium van Sint-Petersburg. Hij bleef de volgende 30 jaar verbonden aan het conservatorium en werd in 1905 benoemd tot directeur. In 1922 ontving Glazunov de Russische onderscheiding 'Volkskunstenaar van de Republiek'. Hoewel hij ook enkele toneel- en vocale werken componeerde, is Glazunov vooral bekend om zijn instrumentale composities, waaronder symfonieën, concerten, orkestmuziek, balletmuziek en kamermuziek.
TECHNIEKTIPS: Glazunovs Elégie voor altviool en piano staat in de toonsoort g mineur. Mineurtoonsoorten worden soms door componisten gebruikt om een licht melancholische sfeer op te roepen, en Glazunovs gebruik van een mineurtoonsoort draagt bij aan de zoete droefheid van zijn aangrijpende melodie. De vorm van dit stuk is een elegie, een term die wordt gebruikt om een gedicht of instrumentaal stuk te beschrijven dat het verlies van een overledene betreurt. De muzikale aanwijzing 'dolce' staat aan het begin van het stuk, wat betekent dat het stuk 'zoet' gespeeld moet worden. De melodie begint op een opmaat (begin met een opwaartse strijkstok). Het tempo van dit stuk is allegretto, wat aangeeft dat een gematigd snel tempo moet worden aangehouden, en de maatsoort is 9/8. Een 9/8-maatsoort betekent dat er negen achtste noten in elke maat voorkomen, en dat de achtste noten in elke maat een sterke drievoudige puls vormen (ÉÉN-twee-drie, VIER-vijf-zes, ZEVEN-acht-negen).