Édouard Lalo schreef zijn Celloconcert in D mineur in 1876, in samenwerking met de Belgische cellist Adolphe Fischer (1847-1891). Het werk ging het jaar daarop in première in het Cirque d'Hiver met Fischer als solist.
Het concert bestaat uit drie delen:
Het eerste deel opent lento en gaat vervolgens over in een allegro maestoso, dat gedurende de rest van het deel wordt aangehouden. De opening bevat enkele maten orkestmuziek voordat de solocello invalt met een geïmproviseerd thema dat driemaal wordt gespeeld. Dit leidt naar het snelle gedeelte, met veel snelle en agressieve arpeggio's en snelle, onophoudelijke zestiende noten.
Het tweede deel begint met een langzaam andantino-gedeelte, dat vervolgens overgaat in een levendig allegro presto. De muziek keert terug naar het andantino-tempo. Vlak voor het einde van het tweede deel keert het allegro presto terug. De cellosolo eindigt met pizzicato-akkoorden samen met het orkest.
De cellosolo opent met een langzaam andante in het derde deel; het orkest vat in en neemt het
vervolgens over. De muziek wordt een levendig rondo in allegro vivace-tempo, waarbij de cellosolo terugkeert met een krachtige inzet van het rondo-thema. Het hoofdthema is gebaseerd op de D-majeurtoonladder en een snelle daling. De rest van het deel wordt voortgezet in allegro vivace-tempo. De cellosolo eindigt met een zeer snelle toonladder die eindigt op een C-sharp triller die oplost naar de tonica.