Beethoven componeerde zijn Klarinettrio's opus 11 en 38 in respectievelijk 1798 en 1802/03. Opus 11 kreeg de bijnaam "Gassenhauer Trio" omdat het derde deel een reeks variaties is op een thema uit Joseph Weigls opera L'amor marinaro ("Gassenhauer" betekent "volkslied"). Beethoven speelt met vele mogelijkheden in deze negen variaties en laat de piano soms alleen verschijnen en soms rusten. Op sommige plaatsen is de stemming die van een soort begrafenismars, en er zijn overal harmonische en ritmische verrassingen. Het "Groot Trio" opus 38, het latere van de twee, was een bewerking door Beethoven zelf van zijn Septet opus 20. Hij voorzag – net als bij opus 11 – van een alternatieve vioolpartij om het werk een breder bereik en daarmee een grotere populariteit te geven. De vioolpartijen zijn eveneens opgenomen in onze Urtext-uitgave, wat – net als destijds – de waarde ervan verhoogt.