Dvořák heeft ruim dertig jaar aan het genre strijkkwartet bijgedragen. Hij is een van de componisten, wier ontwikkeling zich laat illustreren met hun oeuvre aan strijkkwartetten. De verschillende fasen van zijn ontwikkeling zijn het onderwerp van dit Strijkkwartetten Dvořák overzicht. De achtergronden worden verder bij de afzonderlijke kwartetten toegelicht.
De grote strijkkwartetten:
De kern van het oeuvre aan strijkkwartetten zijn de zeven laatste strijkkwartetten, die stuk voor stuk meesterwerken zijn. Bepaald populair is - op zich al ongewoon voor een strijkkwartet - het "Amerikaans" strijkkwartet. Op zich is dit kwartet - met zijn pentatonische motieven - niet karakteristiek voor Dvořák's oeuvre. Vergeleken daarmee zijn - veel minder bekend - de kwartetten met nummer 13 en 14 van toch weer verder ontwikkelde geacheveerdheid. Voor verdere details zie Overzicht in trefwoorden
Naar een eigen stijl:
Er is een totale breuk qua stijl met zijn eerdere kwartetten. Er zijn veel vroege werken vernietigd. Dat blijkt ook uit de opusnummering: ooit had het kwartet in f opus nummer 23. Later werd het opus 10 en toen er noch een werk vernietigd was uiteindelijk opus 9.
Dvořáks stijl van componeren is na de aftastende experimentele kwartetten trefzeker en persoonlijker geworden. Het werk bevat géén spoor meer van invloeden van Liszt of Wagner, zoals in de eerdere kwartetten. Ook bespeurt men hier de latere "slavische" kleuring, zie beginthema van het eerste deel; het middendeel in 2/4 maat van het 3e deel; en de dansante vaart van de finale. Er zijn anders dan in zijn "leerperiode" geen lange lijnen a la Wagner, maar korte contrasterende motieven, in een afwisseling van snelle muzikanteske contrasten.
Vroege strijkkwartetten en Wagnerinvloed:
Werkzaam als altist onder o.a. Smetana en in een omgeving waar de Neudeutsche Schule (Wagner; Liszt) vereerd werd, probeerde Dvořák voet aan de grond te krijgen als componist, ook in de kamermuziek. Bijna alle werken uit deze periode zijn door Dvořák vernietigd. Ze bestaan uitsluitend als reconstructie vanuit losse overgeleverde partijen.
Los hiervan staat opus 2. Dit werk werd door Dvořák 26 jaar na dato volledig gereviseerd. In dit eerste kwartet is nog geen enkele invloed van Wagner te bespeuren en is een muzikantesk werk dat vooral op Schubert geïnspireerd lijkt. De Dvořák heeft vooral door coupures aan te brengen dat werk in 1888 effectiever gemaakt, toen hij op het hoogtepunt van zijn roem stond.
Beschikbaar: