Het Strijkkwintet in C-majeur (D 956, opus postuum 163) van Franz Schubert is een kamermuziekwerk dat de componist schreef in de zomer van 1828, twee maanden voor zijn dood. Het is Schuberts laatste instrumentale werk.[1] Dit kwintet beleefde zijn première op 17 november 1850 in de Musikverein in Wenen en werd gepubliceerd in 1853. Het gehele werk heeft een lengte van om en bij de 50 minuten, afhankelijk van de interpretatie van de uitvoerders.
Dit werk is het enige strijkkwintet in de omvangrijke serie kamermuziekwerken van Schubert. Het valt op door zijn wat onconventionele bezetting: 2 violen, altviool en 2 cello's (terwijl gebruikelijker was, bijvoorbeeld in strijkkwintetten van Mozart: 2 violen, 2 altviolen en cello). Door die keuze voor twee cello's wordt de klank in de lage registers meer sonoor. Ook Luigi Boccherini schreef enig werk in deze bezetting, echter bij Schubert wordt de tweede cello meer gebruikt in de stijl van een additionele altvioollijn.[2]
Het werk bestaat uit 4 delen: