De geschiedenis van het strijktrio verschilde van die van vergelijkbare kamermuziekgenres na Beethoven, omdat de grote romantische componisten – Mendelssohn, Schumann en Brahms – geen werken voor deze instrumentatie schreven. Het was daarom aan Max Reger om de belangrijkste romantische strijktrio's te componeren. Dit gebeurde pas na de eeuwwisseling, aan de rand van de late romantiek, in wat Reger zelf beschreef als een "Wagner-achtige muzikale atmosfeer, rijk aan chromatiek en enharmonie". "Dikte", zoals de componist zelf toegaf, was een bepalend kenmerk van zijn kamermuziek, die voortkwam uit deze tijdsgeest. In twee groepen werken – de twee fluitserenades en de twee strijktrio's, die hij samenvoegde als Opera 77 en 141 – gunde Reger zichzelf echter een rustpauze van zijn eigen ambitie. Deze werken kenmerken zich door een nieuwe eenvoud, verbonden met de Mozart-revival na 1900 en de groeiende belangstelling voor volksliederen.