Béla Bartók componeerde zijn Pianokwintet tijdens zijn middelbareschooltijd in Pozsony (Pressburg, nu Bratislava), en de invloed van Brahms is nog steeds merkbaar in de melodie en harmonie. Het werk was altijd een groot succes tijdens zijn jeugdconcerten. Toen het Waldbauer Kwintet op 7 januari 1921 het programma van een concert van tien jaar eerder wilde herhalen, was Bartók ontevreden dat dit vroege werk van hem opnieuw werd uitgevoerd. Uiteindelijk stemde hij in met de uitvoering en speelde hij zelf de pianopartij. Het kwintet werd met daverend applaus ontvangen, in tegenstelling tot de andere stukken op het programma, die later waren geschreven. Volgens een bericht van Márta Ziegler gooide Bartók de partituur in woede weg, en jarenlang werd aangenomen dat deze verloren was gegaan. In 1963 ontving uitgever Denijs Dille een pakket met daarin de partituur en de partijen, waarvan men dacht dat ze verloren waren gegaan. Denijs Dille schreef: 'Bij het samenstellen van de tekst van deze uitgave heb ik voor praktische doeleinden gebruikgemaakt van de autograafpartituur en Bartóks eigen handgeschreven partijen voor de eerste en tweede viool, altviool en cello. [...] Bartók heeft zoveel wijzigingen en belangrijke aanpassingen in de partituur aangebracht dat de resulterende versie enigszins afweek van het origineel. In deze uitgave presenteren we de meest recente versie, aangevuld met de kleine wijzigingen en aanwijzingen die in de strijkerspartijen te vinden zijn.'