Pianokwintet in A majeur Op.post.114 D 667 (Forellenkwintet) voor piano, viool, altviool, cello en contrabas.
In de zomermaanden van 1819, 1823 en 1825 bracht Schubert enkele weken door met zijn vriend en vertolker van zijn liederen, Johann Michael Vogl, in Vogls geboorteplaats Steyr in Opper-Oostenrijk. Vogl introduceerde Schubert in de muzikale kringen van de stad, in het bijzonder in het huis en de kring van Sylvester Paumgartner, de muziekmecenas van Steyr in die tijd. Schuberts relatie met Steyr en met Paumgartner in het bijzonder werd levendig beschreven door Schuberts vriend Albert Stadler, die ook uit Steyr kwam, in zijn memo's aan Ferdinand Luib in 1858. Stadlers verslag is de enige bron over het ontstaan van het kwintet.
“U bent waarschijnlijk bekend met Schuberts Kwintet voor piano, viool, altviool, cello en contrabas met de variaties op zijn ‘Forel’. Hij schreef het op uitdrukkelijk verzoek van mijn vriend Sylvester Paumgartner, die volkomen betoverd was door het heerlijke liedje. Hij wilde dat het stuk de vorm en bezetting zou hebben van Hummels Kwintet, recte septet, dat destijds nog nieuw was. Schubert voltooide het stuk snel en bewaarde de partituur zelf.”
Dit verslag laat zien dat het stuk op suggestie van Paumgartner werd geschreven, maar geeft geen informatie over de tijd en plaats van compositie. Men kan echter aannemen dat Schubert het in 1819 componeerde voor Steyr.