"Le cygne", uitgesproken als [lə siɲ], oftewel "De Zwaan", is het dertiende en voorlaatste deel van "Het Carnaval der Dieren" van Camille Saint-Saëns. Oorspronkelijk gecomponeerd voor cello solo, begeleid door twee piano's, is het stuk bewerkt en getranscribeerd voor vele instrumenten, maar het blijft het meest bekend als cellosolo. Het stuk staat in 6/4 maatsoort, met een toonsoort van G majeur en een tempoaanduiding van andantino grazioso. De langzame cellomelodie wordt begeleid door bijna constant gebroken akkoordfiguren op de piano's. Wanneer "De Zwaan" als een apart deel wordt uitgevoerd, buiten de context van "Het Carnaval der Dieren", wordt het vaak gespeeld met begeleiding op slechts één piano.
Dit is het enige deel van "Het Carnaval der Dieren" dat de componist tijdens zijn leven in het openbaar liet uitvoeren. Hij vond de resterende delen te frivool en bang dat ze zijn reputatie als serieus componist zouden schaden.
"Le cygne" illustreert de vergankelijke aard van schoonheid met zijn interpretatie van de legende van het "zwanengezang": een wijdverbreid geloof onder de oude Grieken, die de zwaan als een van de mooiste dieren beschouwden, was dat de knobbelzwaan zwijgt tot de laatste momenten van zijn leven, waarin hij het mooiste vogelgezang zingt.